direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Vollenhove - Oppen Swolle 1
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.VLHOppenSwolle1BP-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De initiatiefnemer wil aan de Oppen Swolle 1 te Vollenhove zijn bedrijf, inclusief bedrijfswoning vestigen. Het bedrijf is momenteel gevestigd aan de Kampen 19 te Vollenhove. Het is hier echter niet mogelijk een bedrijfswoning te realiseren bij de huidige locatie van het bedrijf. Daarom is besloten te verhuizen naar de Oppen Swolle 1, waar momenteel een oude boerderij staat. Daar is ruimte om een bedrijfsloods, kantoren en bedrijfswoning te realiseren.

In het geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen' is de locatie aan de Oppen Swolle bestemd als 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Binnen de bestemming 'Agrarisch' zijn bedrijven niet toegestaan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft het perceel Oppen Swolle 1 te Vollenhove. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 2.200 m2. De begrenzing is grotendeels afgestemd op de kadastrale grenzen. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHOppenSwolle1BP-VA01_0001.jpg"

Figuur 1.1 De ligging van het plangebied

1.3 Planologische regeling

Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan Bedrijventerreinen, dat is vastgesteld op 28 januari 2014 door de gemeente Steenwijkerland. In het bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemmingen 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en 'Groen' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. In figuur 1.2 is een uitsnede van de verbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHOppenSwolle1BP-VA01_0002.jpg"

Figuur 1.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Bedrijventerreinen

Binnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' zijn de gronden bestemd voor agrarische bedrijven met daaraan ondergeschikt agrarisch hobbymatig gebruik, perceelsontsluitingswegen, recreatief medegebruik en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd worden.

Binnen de bestemming 'Groen' zijn de gronden bestemd voor groenvoorzieningen zoals trapvelden speelplaatsen, plantsoenen, waterpartijen met de daarbij behorende voet- en fietspaden en andere voorzieningen, structurele beplantingen, recreatief medegebruik, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Er mogen uitsluitend gebouwen ten dienste van nutsvoorzieningen worden gebouwd en een aantal bouwwerken, geen gebouw zijnde.

Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Wanneer ruimtelijke ingrepen worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 100 m2 binnen de bebouwde kom, is voorafgaand een archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Wanneer ruimtelijke ingrepen worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 250 m2 binnen de bebouwde kom, is voorafgaand een archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Een veldwerkbureau is niet toegestaan binnen de geldende regeling, waardoor het voornemen in strijd is met het bestemmingsplan en dit nieuwe bestemmingsplan wordt opgesteld.

1.4 Leeswijzer

De toelichting is als volgt opgezet: na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het, voor het plan relevante, beleid. Hoofdstuk 4 gaat in op de planologische- en milieutechnische aspecten die betrekking hebben op dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de planologisch juridische opzet van het plan behandeld. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit plan komen aan bod in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Ruimtelijk-functionele structuur

Het plangebied ligt op de kruising van de N331 en de Weg van de Rollecate in het westen van Vollenhove. Het perceel ligt op de grens van de bebouwde kom van het dorp. Het plangebied maakt deel uit van het bedrijventerrein van Vollenhove. Rondom het plangebied is daarom sprake van veel (bedrijfs-)bebouwing.

In de omgeving zijn voornamelijk bedrijfsfuncties aanwezig. Hieronder bevinden zich onder meer een brandweerkazerne ten noorden van het plangebied, een apotheekhoudende huisartsenpraktijk ten westen van het plangebied en diverse andere bedrijven ten noorden en oosten van het plangebied. Ten zuidwesten van het plangebied staan woningen. Het plangebied wordt grofweg begrensd door de N331 (oosten), de Weg van Rollecate (zuiden), de Weyert (westen) en de brandweerkazerne (noorden).

Een luchtfoto van het plangebied en de omgeving is weergegeven in figuur 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHOppenSwolle1BP-VA01_0003.jpg"

Figuur 2.1 Luchtfoto van het plangebied en de omgeving

2.2 Huidige situatie plangebied

Het plangebied is bestemd voor een agrarisch bedrijf waarvan de voormalige bebouwing in het oostelijke deel van het plangebied staat. Het betreft een vervallen boerderij, bestaande uit één bouwlaag met een kap. Het voorste deel is ingericht als woonhuis met daarachter een schuur. De overige gronden zijn grasland. Op de zuidoosthoek van het perceel staat beplanting, ter afscherming van het gebouw richting de naastgelegen wegen. Ook aan de zuidzijde, waar het perceel middels een inrit wordt ontsloten aan de Weg van Rollecate, staan bomen.

Een vooraanzicht op het plangebied is weergegeven in figuur 2.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHOppenSwolle1BP-VA01_0004.png"

Figuur 2.2 Vooraanzicht op het plangebied (zuidzijde)

2.3 Beschrijving initiatief

De huidige bedrijfslocatie van het te verplaatsen bedrijf ligt op het bedrijventerrein in Vollenhove, aan de Kampen. Voor deze huidige locatie geldt dat er geen ruimte is voor uitbreiding van de bedrijfsbebouwing en tevens geen mogelijkheid tot het realiseren van een bedrijfswoning. Daarom heeft de initiatiefnemer besloten om in de nabije omgeving een nieuwe locatie te betrekken, waarbij de locatie aan de Oppen Swolle 1 als geschikt is bevonden.

Het voornemen is om binnen het plangebied de bestaande bebouwing en beplanting te slopen/verwijderen. Vervolgens wordt het plangebied opnieuw ingericht ten behoeve van het bedrijf. Daarbij wordt in het noorden van het plangebied een bedrijfsloods gerealiseerd, centraal een kantoorpand en in het zuiden een bedrijfswoning. Tevens worden op het perceel parkeerplaatsen aangelegd.

De werkplaats krijgt een oppervlakte van circa 366 m2 met een bouwhoogte van 8 meter. Het kantoorgebouw krijgt een oppervlakte van 250 m2 met een bouwhoogte van 8,5 meter hoog. Tot slot krijgt de bedrijfswoning een oppervlakte van circa 106 m2 met een bouwhoogte van 7,5 meter.

Het perceel wordt, in tegenstelling tot in de huidige situatie, ontsloten op De Weyert. Hier wordt een inrit aangelegd die toegang biedt tot zowel de bedrijfswoning als het kantoorpand. Verder richting het noorden wordt een inrit aangelegd die ontsluiting en direct toegang biedt tot de bedrijfsloods.

In figuur 2.3 is de voorgenomen indeling van het plangebied weergegeven. Op dit moment is er nog geen definitief ontwerp beschikbaar van de voorgenomen bebouwing. Wel zijn een aantal sfeerimpressies opgenomen in figuur 2.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHOppenSwolle1BP-VA01_0005.png"

Figuur 2.3 Situatietekening van de voorgenomen inrichting van het plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHOppenSwolle1BP-VA01_0006.jpg"

Figuur 2.4 Sfeerimpressies voorgenomen bebouwing

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit project raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.

Duurzame verstedelijking

In de SVIR is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving.

In het Bro is vastgelegd wat moet worden verstaan onder een stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

In dit plan is sprake van een stedelijke ontwikkeling waarbij een voormalige locatie van een agrarisch bedrijf wordt herontwikkeld tot bedrijfslocatie, inclusief bedrijfswoning. Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied van het dorp Vollenhove. In dit geval gaat het om een concreet initiatief van een bedrijf/eigenaar die behoefte heeft aan een uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing aan de Kampen 19 te Vollenhove en tevens behoefte heeft aan een bedrijfswoning bij het bedrijf. De huidige locatie biedt hier onvoldoende ruimte en mogelijkheden voor, daarom is gekozen voor het perceel Oppen Swolle 1 dat grenst aan de bestaande bedrijventerreinen in Vollenhove. Bovendien wordt met dit plan een vervallen boerderij opgeruimd, waarmee ontsierende bebouwing in het plangebied wordt opgeruimd.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel

De ‘Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken kleur’ en de ‘Omgevingsverordening Overijssel 2017’ worden elk jaar bijgewerkt. Dit gebeurt in een jaarlijkse actualisatieronde. Het gaat om alle eerder vastgestelde wijzigingen in het beleid die nog moeten worden doorvertaald in de Omgevingsvisie en/of Omgevingsverordening. Ook worden omissies hersteld. Op 26 september 2018 hebben Provinciale Staten de Actualisatie 2017/2018 vastgesteld. Op 1 november 2018 zijn deze aanpassingen van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening in werking getreden.


In de omgevingsvisie staat het uitvoeringsmodel centraal. In dit model draait het om drie vragen die antwoord geven op of, waar en hoe ontwikkelingen uitgevoerd worden. Bij de eerste vraag zijn generieke en gebiedsspecifieke beleidskeuzes van belang. Bij de tweede vraag zijn ontwikkelingsperspectieven richtinggevend en bij de derde vraag gaat het om de inpassing in de kenmerken van het gebied. Onderstaand wordt op deze drie niveaus van het uitvoeringsmodel ingegaan.

Generieke beleidskeuzes

Het gaat hier om algemene keuzes die bepalen of ontwikkelingen nodig, dan wel mogelijk zijn. Voor stedelijke ontwikkelingen hanteert de provincie de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Dit betekent dat voor ontwikkelingen eerst bestaande bebouwing of herstructurering wordt benut, voordat er uitbreiding plaatsvindt.

Het realiseren van de nieuwe bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning past binnen de genoemde generieke beleidskeuzes van de provincie. In paragraaf 3.1 is de voor deze ontwikkeling uitgevoerde ladder-toets beschreven en is aangegeven waarom deze locatie geschikt is. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en betreft herontwikkeling van een vervallen agrarische bedrijfslocatie.

Ontwikkelperspectieven

Het plangebied ligt in de zone Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden volgens de provincie kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

In dit geval vestigt een lokaal bedrijf zich op de locatie van een voormalig agrarisch bedrijf. Daarmee voorziet het plan in de lokale behoefte. Hoe met het wateraspect wordt omgegaan is opgenomen in paragraaf 4.6.

Gebiedskenmerken

De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn de gebiedskenmerken het uitgangspunt. In de lagenbenadering zijn per laag de daarbij horende gebiedskenmerken genoemd. Voor het plangebied zien de gebiedskenmerken van de verschillende lagen er als volgt uit:

Natuurlijke laag: Stuwwallen

Ter plaatse is sprake van de natuurlijke laag 'stuwwallen'. De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. De stuwwallen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ingangen van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving. Daarnaast dragen ontwikkelingen bij aan versterking van de potentiële natuurlijke kwaliteiten van de 'natte voet' van de stuwwal en dienen deze de natte voet beter zichtbaar te maken.

In dit geval betreft het plangebied een relatief klein perceel, dat omringd is door bebouwing. In de huidige situatie is reeds sprake van bebouwing. De voorgenomen herontwikkeling is te klein van aard en omvang om afbreuk te doen aan de zichtbaarheid en beleefbaarheid van de stuwwal. Daarmee verzet de natuurlijke laag zich niet tegen de voorgenomen ontwikkeling.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap: Oude Hoevenlandschap

De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Ook hier geldt dat de erftransformaties perceelsgebonden is en daarom geen afbreuk doet aan deze kenmerken van het gebied.

Stedelijke laag: Woonwijken 1955 - nu

De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken en voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Lokaal zijn kleinere eenheden die afwijken van het systeem. Steeds is sprake van een afgeronde eenheid met duidelijke in- en uitgangen en kunst in de openbare ruimte. Als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel, maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.

In dit geval ligt het plangebied in feite buiten de afgeronde eenheid van de woonwijk ten zuidwesten van het plangebied. Het plangebied lijkt hierbij betrokken omdat de huidige functie afwijkt van het omringende bedrijventerrein. Met dit plan wordt echter toch een bedrijfslocatie ontwikkelt binnen het plangebied. Dit sluit aan bij de omringende gronden ten westen, noorden en oosten van het plangebied waar de stedelijke laag 'bedrijventerreinen' geldt. Gezien de ligging van het plangebied, waarbij geen directe connectie is met de zuidwestelijk gelegen woonwijk, maar des te meer met de omringende bedrijfsfuncties, is het daarom een logische keuze om dit perceel te herontwikkelen tot bedrijfslocatie.

Laag van de beleving: Donkerte

De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. In de donkere gebieden is het de bedoeling alleen minimaal noodzakelijke toepassing van kunstlicht te hebben. Dit vereist selectief inzetten en richten van kunstlicht. Daarnaast moet er veel aandacht zijn voor het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied.

Het plangebied maakt deel uit van het stedelijk gebied en is omgeven door bedrijfsfuncties en, ten zuidwesten, door woningen. Daarmee is in de huidige situatie al sprake van een bepaalde mate van (kunstmatige) lichtuitstoot rondom het plangebied. Door de ontwikkeling in het plangebied zal geen verdere afbreuk worden gedaan aan de donkerte van het gebied en wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de uitgangspunten van dit gebied.

3.3 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Steenwijkerland

De gemeente heeft de Omgevingsvisie Steenwijkerland 'Waardevast landschap' (juni 2017) opgesteld. Het betreft een visie op hoofdlijnen die zich richt op de fysieke leefomgeving en een strategisch kader voor ruimtelijke ontwikkeling is.

De gemeente Steenwijkerland wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Het gaat er hierbij niet alleen om hoe de ruimtes eruit zien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving.

In de Omgevingsvisie wordt benadrukt dat kleinschalige bedrijvigheid en de combinatie van wonen en werken een hoge vlucht hebben genomen. Bedrijventerreinen zijn kleinschalig en de bedrijvigheid past bij de identiteit van de kern. Er ligt in de gemeente een stevige opgave om leegstand en verpaupering in de kernen tegen te gaan en de leefbaarheid op het huidige niveau te houden. Daarom geeft de gemeente meer ruimte aan initiatiefnemers om leegstaande gebouwen om te vormen naar wonen of andere functies.

In dit geval wordt een voormalig agrarische bedrijfslocatie omgevormd tot een bedrijfslocatie. Het plangebied ligt in de kern van Vollenhove. Het bedrijf past qua aard en omvang in deze kern en is zelfs in de huidige situatie al in de kern gevestigd. Hiermee sluit het voornemen aan bij de Omgevingsvisie Steenwijkerland.

Welstandsnota gemeente Steenwijkerland

In de welstandsnota wordt beschreven hoe de gemeente om wil gaan met de gebouwde omgeving en op welke aspecten en criteria de welstandscommissie zich daarbij baseert. Als laatste biedt deze welstandsnota voor de welstandscommissie een beoordelingskader.

De gemeente is in gebieden ingedeeld en per gebied zijn criteria vastgesteld waarop de welstandscommissie haar adviezen baseert. Het plangebied valt in het deelgebied Stuwwallenlandschap van het land van Vollenhove: Vollenhove overig. Het gebied bestaat uit de woonwijken van Vollenhove en het bedrijventerrein. De woonwijken zijn niet karakteristiek voor Vollenhove maar ze hebben wel een basiskwaliteit die de moeite van het bewaren waard is. Op het bedrijventerrein dient met name langs de belangrijke wegen en de rand met het buitengebied een betere uitstraling en inpassing te worden gerealiseerd. Dit vanwege het erg functionele karakter van de vormgeving van de bebouwing. Nieuwe bedrijfsbebouwing langs de doorgaande wegen dient een versterking van de architectonische kwaliteit te geven met speciale aandacht voor kleuren en materialen.

Het plangebied betreft een bedrijfslocatie gelegen naast een doorgaande weg in Vollenhove. Daarom zal in het ontwerp rekening worden gehouden met de uitstraling en inpassing van de nieuwe gebouwen conform de welstandscriteria die gelden voor het bedrijventerrein. De welstandscommissie zal het voornemen beoordelen. Momenteel wordt er in opmaat naar de aanvraag omgevingsvergunning gewerkt aan de planvorming. Hierbij zal speciale aandacht zijn voor kleur, textuur en materialisatie. Vanuit het inrichtingsplan zullen de geduide volumes verder worden vormgegeven op architectonisch niveau. Ter inspiratie en illustratie zijn met betrekking tot de beoogde uitstraling in paragraaf 2.3 een aantal sfeerimpressies opgenomen.

Hoofdstuk 4 Planologische randvoorwaarden

In onderstaande paragrafen wordt een overzicht gegeven van de voor het nieuw op te stellen bestemmingsplan relevante milieuaspecten. Milieuaspecten zijn een belangrijk onderdeel van de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan. Eventuele milieuaspecten kunnen, voor zover mogelijk en noodzakelijk, vertaald worden in de regeling van dit bestemmingsplan.

Voor het plangebied en de ontwikkeling die dit bestemmingplan mogelijk maakt, wordt advies gevraagd bij de regionale uitvoeringsdienst IJsselland. Conclusies en aanbevelingen van de uitvoeringsdienst worden verwerkt in dit hoofdstuk.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG

-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • 1. de kenmerken van de projecten;
  • 2. de plaats van de projecten;
  • 3. de kenmerken van de potentiële effecten.


Toetsing aan de drempelwaarden uit het Besluit mer

Het betreft een agrarisch perceel, waar binnen een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ plaats vindt. Hierbij vinden geen infrastructurele ingrepen plaats, Er is daarom in het kader van de mer-procedure geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.


Vormvrije mer-beoordeling

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.


Dit blijkt ook uit het onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. De gemeente kan op basis van voorgaande een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen waarin besloten wordt dat een planmer niet noodzakelijk is.

4.2 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs uit te sluiten is.

Het plangebied ligt direct ten westen van een provinciale weg (N331). Aan de noord en westzijde van het plangebied zijn industrieterreinen aanwezig. Ten zuiden en zuidwesten van het plangebied ligt een woonwijk. Deze functiemenging zorgt ervoor dat de omgeving van het plangebied als gemengd gebied kan worden bestempeld.

Brandweerkazerne

Ten noorden van het plangebied staat een brandweerkazerne. In gemengd gebied geldt een richtafstand van 30 meter ten opzichte van hindergevoelige objecten. De bedrijfswoning is het enige hindergevoelige object dat binnen het plangebied gerealiseerd wordt. De bedrijfswoning wordt op een grotere afstand dan 30 meter van de brandweerkazerne gerealiseerd. Daarom is geen onderzoek noodzakelijk.

Bedrijfslocaties ten (noord)westen van het plangebied

Ten (noord)westen van het plangebied zijn bedrijfslocaties aanwezig, maar bedrijven uit maximaal milieucategorie 3.1 zijn toegestaan. Hiervoor geldt binnen gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan doordat het plangebied op minimaal 33 meter van deze bedrijfslocaties ligt. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Industrieterrein De Weyert

Het industrieterrein De Weyert is gezoneerd in het kader van de Wet geluidhinder. De nieuwe bedrijfswoning is geprojecteerd net buiten de geluidzone (50 dB(A)-contour). Een hogere waarde voor industrielawaai is daarmee ten opzichte van dit industrieterrein niet noodzakelijk. Op basis van de voorgestelde geluidwering van Ga;k = 26 dB(A) wordt voor industrielawaai een aanvaardbaar binnenniveau gerealiseerd.

4.3 Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan dient met het oog op de natuurbescherming rekening te worden gehouden met de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn beide aspecten geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierbij dient te worden aangetoond dat als gevolg van de geplande activiteiten de gunstige staat van instandhouding van waardevolle dier- en plantensoorten niet in het geding komt. Voor de beoogde ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 1 toegevoegd bij de toelichting. Hieronder worden de conclusies uit dit rapport beschreven.

Gebiedsbescherming

Met betrekking tot gebiedsbescherming is de ligging van de aangewezen Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) van belang.

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, De Wieden, ligt op circa 570 meter afstand ten noorden van het plangebied.

Het plangebied ligt in een binnenstedelijk gebied op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. De ontwikkeling heeft, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen.

Natura 2000-gebieden: stikstofdepositie

In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van sikstofdepositie. In het Programma Aanpak Stikstof (PAS) zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waar ten minste één stikstofgevoelig habitat voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Ook kleinschalige initiatieven kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie en moeten om die reden daarop worden beoordeeld. Daarom is in het kader van dit plan een stikstofberekening uitgevoerd, die is opgenomen als bijlage 2. Uit deze berekening is naar voren gekomen dat de toename van de stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden niet boven 0,00 mol N/ha/jaar uit komt. Hiermee is aangetoond dat het project, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

 

Daarom hoeft voor dit plan geen vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd.

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied maakt geen deel uit van gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. Daarmee is geen sprake van verstoring van NNN-gebieden.

Soortenbescherming

Ten aanzien van de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.

Het veldbezoek is afgelegd op 13 september 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat.

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat in verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels het noodzakelijk is om opgaand groen te rooien buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten.

Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten. De plannen zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.

4.4 Geluid

Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die ''in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken'', een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones of bij bepaalde veranderingen aan de weg zelf (zoals het verhogen van de maximumsnelheid of het uitbreiden van het aantal rijstroken) moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd.

Om na te gaan of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 3. Uit dit onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde Lden = 48 dB vanwege de Oppen Swolle /N331 wordt overschreden De maximale ontheffingswaarde van Lden = 63 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting vanwege de overige wegen is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB.

Het aspect wegverkeerslawaai (Wgh) is derhalve geen belemmering. Een hogere waarde procedure is wel noodzakelijk. Geadviseerd wordt om daarom de hoogst berekende waarde vast te stellen als hogere waarde (Lden = 56 dB).

Het treffen van maatregelen (stiller wegdek, geluidschermen) ligt niet voor de hand vanwege financiële doeleinden; de kosten worden relatief hoog omdat het slechts één woning betreft. Bij het vaststellen van de geluidwering dient rekening te worden gehouden met de geluidbelasting exclusief aftrek art. 110g Wgh, waarbij tevens rekening wordt gehouden met cumulatieve effecten. Uitgaande van de hoogste berekende cumulatieve geluidbelasting (exclusief aftrek) van Lden 59 dB, dien een geluidwering van tenminste GA;k = 26 dB(A) te worden gerealiseerd.

Door toepassing van een hogere waarde procedure en de juiste geluidwering is geen nader onderzoek noodzakelijk naar het aspect geluid.

4.5 Bodem

Op grond van het Bro moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren).

In het kader van dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, die is opgenomen als bijlage 4. Hieruit is geconcludeerd dat ter plaatse van de onderzochte locatie enkele licht verhoogde gehalten aangetoond in de (bovengrond) en in het grondwater. De licht verhoogde gehalten in de bodem betreffen over het algemeen relatief geringe overschrijdingen van de achtergrondwaarden en streefwaarden.

Bij licht verhoogde gehalten zijn geen risico's voor milieu en volksgezondheid aanwezig en hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden. Daarnaast is in het verkennend bodemonderzoek naar asbest in de bodem geen asbest aangetoond en hoeft dus geen vervolgonderzoek te worden uitgevoerd.

Met de gevolgde onderzoeksstrategie is de milieuhygiënische kwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie voldoende vastgelegd. Voor wat betreft de kwaliteit van de bodem hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen beperkingen te worden gesteld aan het gebruik van de onderzochte locatie.

4.6 Water

Vanwege het grotere belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke ordening geworden.

Wateradvies

Via de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) is het waterschap Drents Overijsselse Delta gevraagd een reactie te geven op het plan. Uit de ingediende gegevens (bijlage 5) is bepaald dat met het plan belangen van het waterschap worden geraakt. Daarom is de normale procedure van toepassing. Het waterschap levert hierop een uitgangspuntennotitie aan die te zijner tijd wordt verwerkt in het plan.

4.7 Cultuurhistorie

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.

Het plangebied kent geen specifieke cultuurhistorische waarden. Wel kunnen de structuren en kenmerken in de omgeving als van cultuurhistorische betekenis worden aangemerkt. Omdat dit bestemmingsplan perceelsgebonden is, wordt geen afbreuk gedaan aan de structuren in de omgeving. De te bouwen gebouw wordt afgestemd op de kenmerken van de omgeving. De ontwikkeling past binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur qua functie en volume. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

4.8 Archeologie

Voor archeologische resten in de bodem is de Erfgoedwet van toepassing. Deze wet regelt onder andere dat in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening gehouden wordt met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.

Voor een deel van de gemeente is een Archeologische Waarderingskaart vastgesteld. Hierin is per gebied een waardering toegekend ten aanzien van de archeologische waarden. Op de beleidskaart wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • archeologische monumenten;
  • gebieden met een hoge archeologische verwachting;
  • gebieden met een lage archeologische verwachting;
  • gebieden zonder archeologische verwachting;
  • gebieden met onbekende archeologische verwachting.

De beleidskaart is in het geldende bestemmingsplan vertaald in archeologische dubbelbestemmingen. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Hier geldt dat voor ruimtelijke ontwikkelingen met een oppervlakte groter dan 250 m2 binnen de bebouwde kom en dieper dan 50 centimeter beneden het maaiveld een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

In de huidige situatie is het perceel lager gelegen ten opzichte van de omringende gronden. Het voornemen is daarom om het perceel voorafgaand aan de voorgenomen ontwikkeling op te hogen met een laag van circa een meter dik. De bodemroerende werkzaamheden die vervolgens worden uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zullen niet dieper gaan dan 50 centimeter onder het huidige maaiveld, doordat deze laag grond wordt aangebracht. Daarmee wordt de grenswaarde uit de regeling van de archeologische dubbelbestemming qua diepte niet overschreden. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

4.9 Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang.

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

In dit geval gaat het 'slechts' om een verhuizing en uitbreiding van één bedrijf van relatief beperkte omvang. De uitstoot van stikstof en fijn stof als gevolg hiervan kan hierdoor toenemen, maar deze toename zal zeer beperkt zijn de gestelde grenswaarden niet overschrijden. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

4.10 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Een bedrijfswoning is aangemerkt als een kwetsbaar object. Daarom is de risicokaart geraadpleegd naar de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes in de omgeving van het plangebied. Hieruit is naar voren gekomen dat ten noordwesten van het plangebied een aardgasontvangststation aanwezig is, waar twee aardgasleidingen naar toe lopen.

Voor het aardgasontvangststation geldt een risicocontour van 15 meter. Het plangebied ligt op circa 50 meter afstand van het aardgasontvangststation en valt daarmee buiten deze contour.

Voor de aardgasleidingen geldt dat deze beide een diameter van 4 inch hebben en een maximale werkdruk van 40 bar. De inventarisatieafstand (KA) die hierbij geldt is 45 meter. Omdat het plangebied op circa 50 meter afstand ligt wordt hieraan voldaan.

Omdat het plangebied niet binnen een inventarisatieafstand van een risicovolle inrichting, buisleiding of transportroute ligt is geen nader onderzoek noodzakelijk.

4.11 Kabels en leidingen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.

In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die moeten worden voorzien van een planologische regeling.

Hoofdstuk 5 Juridische opzet

In dit hoofdstuk staat een toelichting op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. In paragraaf 5.1 staat een algemene toelichting op de betekenis en opbouw van het bestemmingsplan en de achtergronden daarvan. In paragraaf 5.2 wordt de bestemmingsregeling van dit bestemmingsplan toegelicht.

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Onderdeel hiervan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP beoogt bestemmingsplannen die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.

Het bestemmingsplan voldoet ook aan de terminologie van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

De bestemmingen die in dit bestemmingsplan voorkomen zijn afgestemd op de regeling uit het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen', dat is vastgesteld op 28 januari 2014. Binnen het plangebied komen de volgende bestemmingen voor:

5.2.1 Bedrijventerrein

De gronden waar het de bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning worden gerealiseerd, evenals het voorterrein, zijn bestemd als 'Bedrijventerrein'. Daarmee wordt aangesloten bij het geldende plan, waarin de bedrijfspercelen in de omgeving eveneens als 'Bedrijventerrein' zijn bestemd. Ter plaatse geldt een bouwhoogte van 9 meter, waar de voorgenomen gebouwen binnen passen. In overeenstemming met het geldende plan mag het bouwvlak voor 80 % worden volgebouwd. Aan de noordzijde is bewust geen bouwvlak opgenomen om de onderhoudszone van de noordelijk gelegen watergang te behouden.

5.2.2 Tuin

De gronden aan de zuid- en oostzijde van het plangebied zijn bestemd als 'Tuin'. Deze gronden worden niet bebouwd, maar worden ingericht als tuin bij het bedrijfsperceel. Om de gronden als erf in te kunnen richten is hier de bestemming Tuin aan gegeven.

5.2.3 Waarde - Archeologie 1 en Waarde - Archeologie 2

Ter plaatse van het plangebied is sprake van twee archeologische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen zitten al in het geldende plan en zijn overgenomen in dit nieuwe bestemmingsplan. Ter plaatse geldt dat bij ruimtelijke ingrepen met een oppervlakte van 100 m² (Waarde - Archeologie 1) en 250 m² (Waarde - Archeologie 2) en dieper dan 50 centimeter, dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Omdat in dit geval de grond wordt opgehoogd en dus de bodem niet diep genoeg wordt geroerd is voor dit plan geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Om de bestaande waarden een beschermende regeling te bieden bij mogelijk toekomstige ruimtelijke ingrepen zijn daarom de archeologische dubbelbestemmingen opgenomen.

5.2.4 geluidzone - industrie

Het naastgelegen industrieterrein De Weyert betreft een geluidgezoneerd industrieterrein. De geluidzone hiervan loopt over het plangebied. Daarom is de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' opgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Deze is gedeeltelijk aangetoond in de voorgaande paragrafen. Ook spelen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid een rol.

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak en overleg

Voorafgaand aan de ruimtelijke procedure heeft de initiatiefnemer uitgebreid overleg gevoerd met de omwonenden van het plangebied. Vanwege de markante ligging van deze specifieke herontwikkelingslocatie aan de Oppen Swolle 1 te Vollenhove is er besloten om omwonenden (met zicht op de betreffende percelen) tijdig kennis te laten nemen van het voornemen.

Inmiddels zijn één-op-één gesprekken gevoerd. De woon- en werkomgeving van het plangebied, specifiek met zicht op het plangebied, feitelijk de bewoners/bedrijfspandeigenaren van De Weyert 1, 2, 32, 38 en 40 Oppen Swolle 2, De Hagen 1 3, 2 en 5 en de Kampen 1 en 1a, zijn persoonlijk benaderd en geïnformeerd over het voornemen.

In de persoonlijke gesprekken heeft de initiatiefnemer de planvorming met betrekking tot de transformatie van het perceel van agrarisch naar een woon-werkbestemming alsmede de perceelsinrichting en sfeerbeelden van de toekomstige bebouwing van het plangebied zowel mondeling als door middel van vormtekeningen uitgebreid toegelicht.

Geconcludeerd wordt dat het houden van deze overlegmomenten met waardering en enthousiasme aangaande de planvorming is ontvangen.

Het bestemmingsplan wordt in deze fase daarnaast aan de wettelijke overlegpartners gestuurd ter beoordeling.

Zienswijze

Het bestemmingsplan wordt direct als ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). De uitkomsten hiervan kunnen nieuwe niet voorziene uitgangspunten voor het bestemmingsplan geven.

Vaststelling

Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt dat het plan financieel haalbaar is.

Grondexploitatie

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

In dit bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. In dergelijke gevallen is de grondexploitatieregeling van toepassing, tenzij het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn.

De gemeente Steenwijkerland dekt de kosten van een bestemmingsplanherziening uit voor een dergelijke herziening in rekening gebrachte leges. In dit geval kan derhalve worden volstaan met het sluiten van een planschadeovereenkomst waarbij het risico voor eventuele planschade bij de initiatiefnemer komt te liggen.