direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bestemmingsplan Marijenkampen, nabij Ongeleg 5
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel Ongeleg (geen huisnummer) naast nummer 5 Marijenkampen (kadastraal bekend als SWK01 - L - 327) staat een kippenschuur van ongeveer 8.50 x 60 meter welke niet meer in gebruik is. De kippenschuur bevindt zich in een kleinschalig agrarisch landschap, enigszins glooiend, met houtwallen. Van oudsher bestond de bebouwing in dit gebied voornamelijk uit koloniewoningen. Hiervan zijn een aantal nog aanwezig, de meeste zijn verbouwd, uitgebreid of vervangen. Op het bovengenoemde perceel, is de kippenschuur in dit landschap een vreemd element. De schuur staat al een tijd leeg en raakt in verval. Het dak bestaat uit asbesthoudende golfplaten.


Het perceel is in erfpacht door de familie Alferink en is eigendom van Het Heideveld, een vereniging die in deze omgeving ruim 360 ha landbouwgrond, wegen, bos en water in eigendom heeft en beheert. Het voornemen van de erfpachters, de familie Alferink, is om de kippenschuur te vervangen door een woning.

Medewerking aan de voorgenomen ontwikkeling is alleen mogelijk middels een bestemmingsplanherziening.Vandaar dat dit bestemmingsplan is opgesteld.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan het Ongeleg (geen huisnummer) naast nummer 5 Marijenkampen (kadastraal bekend als SWK01 - L - 327). De schuur ligt tussen de kernen Willemsoord en Steenwijkerwold in Marijenkampen. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door agrarisch grasland en kleinschalige bebouwing in de vorm van woningen en (agrarische) bedrijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0001.png"

Afbeelding: Ligging plangebied (bron foto: Kadaster)

1.3 Vigerende beheersverordening

Het plangebied ligt binnen de geldende 'Beheersverordening Buitengebied', vastgesteld op 9 december 2014. De gronden zijn voorzien van de enkelbestemming “Bedrijf”, de dubbel bestemming “Waarde – Archeologie 2” en de aanduiding “bouwvlak”. Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van de geldende "Beheersverordening Buitengebied' weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0002.png"

Afbeelding: Uitsnede verbeelding "Beheersverordening Buitengebied' (bron foto: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het plan beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Cultuurhistorie en archeologie komt in hoofdstuk 4 aan bod, ecologie in hoofdstuk 5, water in 6 en verkeer in 7. Vervolgens komen de verschillende omgevingsaspecten aan bod in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 behandelt de economisch uitvoerbaarheid en hoofdstuk 10 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie bevindt zich op het perceel Ongeleg (geen huisnummer) naast nummer 5 een kippenschuur die niet meer in gebruik is met een oppervlakte van ongeveer 8.50 x 60 meter. De schuur staat al een tijd leeg en raakt in verval. Het dak bestaat uit asbesthoudende golfplaten. Het perceel is in erfpacht en is eigendom van Het Heideveld, een vereniging die in deze omgeving ruim 360 ha landbouwgrond, wegen, bos en water in eigendom heeft en beheert.


Ten oosten (Ongeleg 5), westen (Ongeleg 7) en ten noorden aan de overzijde van de weg (Ongeleg 30) van het plangebied bevinden zich in totaal drie woningen. Voor de rest wordt de omgeving gekenmerkt door agrarisch grasland.

Op navolgende afbeeldingen is een luchtfoto met daarop het plangebied weergegeven en geven twee foto's een impressie van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0003.png"

Afbeelding: Luchtfoto plangebied (bron foto: Pedok Viewer)

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0004.png"

Afbeelding: Impressie plangebied (bron foto: eigen camera)

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0005.png"

Afbeelding: Impressie plangebied (bron foto: eigen camera)

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie is de kippenschuur gesloopt en daarvoor zal een woning met bijgebouw voor terugkomen. Op de inrichtingstekening die is opgenomen in Bijlage 3 is te zien waar de woning en het bijgebouw precies gesitueerd worden. Een uitsnede van deze inrichtingstekening is op de volgende afbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0006.jpg"

Afbeelding: Uitsnede inrichtingstekening (bron tekening: Jongschaap architecten)

Het ontwerp van de te bouwen woning is geïnspireerd op de koloniewoningen en sluit qua schaal en materiaal aan bij de omliggende woningen. De woning wordt geplaatst in het bebouwingslint en in het midden op het perceel. Links van de woning wordt een schuur geplaatst, een moestuin en een weitje. Rechts van de woning komt een fruitboomgaard. De wal met bomen langs het Ongeleg wordt ontdaan van de gebiedsvreemde bomen en struiken. Hiermee wordt een goede inpassing in het landschap bereikt en een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Op de volgende afbeelding is een impressie weergegeven van de nieuwe bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0007.jpg"

Afbeelding: Impressie nieuwe bebouwing (bron tekening: Jongschaap architecten)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau.

Het Rijk zet het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, leefbaar en veilig Nederland. Bovendien is het Rijk verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijk ordening.

Nationale belangen

Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Voor het plangebied zijn de volgende nationale belangen van toepassing:

  • Nationaal belang 4 'Efficiënt gebruik van de ondergrond': In hoofdstuk 8.3 is aangegeven hoe met dit belang rekening is gehouden.
  • Nationaal belang 8 'Verbeteren van de milieukwaliteit': In hoofdstuk Hoofdstuk 8 is ook aandacht geschonken aan de verschillende milieuaspecten.
  • Nationaal belang 13 'Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen': Bij het opstellen van het voorliggende plan worden alle belangen zorgvuldig afgewogen. Burgers, belangenorganisaties en andere overheden hebben de mogelijkheid om in het kader van de ruimtelijke procedure te reageren op de afweging.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, is een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; vervolgens kijken of in die behoefte kan worden voorzien binnen bestaand stedelijk gebied. Mocht dat niet het geval zijn, dan moet de buitenstedelijke locatie optimaal (multimodaal) bereikbaar zijn.

De ladder is juridisch verankerd in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Hij geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Op basis van jurisprudentie is een bouwplan voor tien woningen geen stedelijke ontwikkeling (AbRS16-09-2015, 201501297/1/R4). Het voornemen betreft de sloop van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw van een woning.. Deze activiteit, de sloop en nieuwbouw van één woning, is geen stedelijke ontwikkeling en dus is de ladder is hier niet van toepassing.

Conclusie

De ladder voor duurzame verstedelijking staat de verlening van de vergunning niet in de weg.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel 2017

De Omgevingsvisie Overijssel 2017 "Beken kleur" is op 12 april 2017 vastgesteld door Provinciale Staten en is vanaf 1 mei 2017 van kracht. De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel.

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

In de omgevingsvisie staat het uitvoeringsmodel centraal. In dit model draait het om drie vragen die antwoord geven op of, waar en hoe ontwikkelingen uitgevoerd worden. Bij de eerste vraag zijn generieke beleidskeuzes van belang. Bij de tweede vraag zijn ontwikkelingsperspectieven richtinggevend en bij de derde vraag gaat het om de inpassing in de kenmerken van het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0008.png"

Afbeelding: rode draden en beleidsambities omgevingsvisie (bron: Omgevingsvisie Overijssel 2017 "Beken kleur")

Generieke beleidskeuzes (of-vraag)

Bij de afwegingen in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” is met name artikel 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) van de Omgevingverordening Overijssel van belang. In dit artikel is bepaald dat in ruimtelijke plannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Voor onder andere voorzieningen in het stedelijk gebied hanteert de provincie de Ladder voor duurzame verstedelijking. Dit betekent dat voor ontwikkelingen eerst bestaande bebouwing of herstructurering wordt benut, voordat er uitbreiding plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van vervangende nieuwbouw. De totale hoeveelheid bebouwing blijft daarmee nagenoeg gelijk. Verder is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing omdat het gebied buitenstedelijk is.

Ontwikkelingsperspectieven (waar-vraag)

Op het plangebied is het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' van toepassing. Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie 'Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen' voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities:

  • zichtbaar en beleefbaar mooi landschap
  • sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel
  • continu en beleefbaar watersysteem

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0009.jpg"

Afbeelding: Uitsnede Omgevingsvisie (bron: Provincie Overijssel)


Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.


De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.


Schaalvergroting in de landbouw en opwekking van hernieuwbare energie krijgen ruimte in het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap, onder de voorwaarde van zorgvuldige inpassing in het kleinschalige landschap. Ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Met name de verschuiving van eenzijdige volumeproductie en kostprijsreductie naar specialisatie en omgevingsgericht ondernemen in de landbouw is hier kansrijk voor het behouden van een sterke concurrentiepositie. Waardevermeerdering ontstaat door het benutten van de specifieke gebiedskwaliteiten, en van het maatschappelijk draagvlak voor kwaliteitsproductie en -producten. Ook verbreding van economische activiteiten op het erf, bijvoorbeeld met zorg, recreatie of landwinkels, krijgt de ruimte. Door directe verkoop bij de boer ontstaan korte ketens en meer waardering voor het agrarisch product.


In dit ontwikkelingsperspectief zijn ook plekken waar, door de ruimtelijke structuur van het landschap, de beschikbare milieuruimte of reeds aanwezige bebouwing, de ontwikkelruimte van agrarische bedrijven beperkt is. Hier liggen ontwikkelkansen voor andere vormen van bedrijvigheid (denk aan dienstverlenende zelfstandigen zonder personeel) die de ruimtelijke structuur versterken. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt


De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van een kippenschuur en de nieuwbouw van een woning met bijgebouw. Dit omdat de bedrijfsfunctie niet meer op het perceel wordt uitgeoefend en vanuit planologisch oogpunt een woonfunctie als geschikt kan worden aangemerkt. Dit is een functie dat passend is binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap.

Gebiedskenmerken (hoe-vraag)

De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn de gebiedskenmerken van provinciaal belang het uitgangspunt. In de lagenbenadering zijn per laag de daarbij horende gebiedskenmerken genoemd. Voor het plangebied zien de gebiedskenmerken van de verschillende lagen er als volgt uit:

Natuurlijke laag: Stuwwallen

De ambitie is het eigen karaker van de afzonderlijke stuwwalen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accenturen en door de zichten erop én er vanaf te versterken. De voorgenomen ontwikkeling doet geen afbreuk aan het eigen karakter van de stuwwallen. Er is namelijk sprake van een bestaand bebouwd erf en de landschappelijke inpassing (zie Bijlage 3 en Bijlage 5) is gebiedseigen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0010.jpg"

Afbeelding: Uitsnede Omgevingsvisie (bron: Provincie Overijssel)

Laag van het agrarisch cultuurlandschap: Oude hoevenlandschap

De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren zijn er volop mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen.De voorgenomen ontwikkeling biedt ruimte voor wonen dat past binnen de kenmerkende structuur van het gebied. Het plan wordt daarnaast landschappelijk ingepast (zie Bijlage 3). Daarnaast is er sprake van een bestaand bebouwd erf en de landschappelijke inpassing is gebiedseigen (zie Bijlage 5).

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0011.jpg"

Afbeelding: Uitsnede Omgevingsvisie (bron: Provincie Overijssel)

Stedelijke laag - Informele trage netwerk

De ambitie is een verschuiving van het verplaatsingsgedrag van auto naar fiets. Het doel is om het fiets- en wandelpaden netwerk te ontwikkelen tot een compleet systeem. Als ontwikkelingen plaatsvinden in de gebieden die in de directe invloedssfeer van stad en dorp liggen, dan dragen deze ontwikkelingen bij aan behoud en verkleining van de maaswijdte van het padennetwerk. Langs informele routes worden bijvoorbeeld de aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden zichtbaar en kenbaar gemaakt. De voorgenomen ontwikkeling houdt de cultuurhistorische waarden in stand (zie Hoofdstuk 4) en past derhalve binnen het uitgangspunt. Er is daarnaast sprake van een bestaand bebouwd erf en de landschappelijke inpassing (zie Bijlage 3 en Bijlage 5) is gebiedseigen.

Stedelijke laag - Verspreide bebouwing

De ambitie van de provincie Overijssel is zorg te dragen voor 'levende erven' die opnieuw verbonden zijn met het landschap. Als er ontwikkelingen plaatsvinden, dan dienen deze bij te dragen aan het behoud en de versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen. Er dient een duidelijk onderscheid te zijn tussen de voor- en achterkant, waarbij het erf aan het landschap is gekoppeld. De toegankelijkheid wordt hierdoor verbeterd. De voorgenomen ontwikkeling houdt rekening met deze ambitie. Er is namelijk sprake van een bestaand bebouwd erf en de landschappelijke inpassing (zie Bijlage 3 en Bijlage 5) is gebiedseigen.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen het beleid van de provinciale omgevingsvisie.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel 2017

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor de onderwerpen waarvan de provincie wil dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De Omgevingsverordening is gelijk aan de Omgevingsvisie op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei van kracht geworden. Het plan is in overeenstemming met de regels uit de verordening.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen het beleid van de provinciale omgevingsverordening.

3.2.3 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)

Met het vaststellen van de Omgevingsvisie is het eerdere detailkader van de provincie van Rood-voor-rood, Rood-voor-groen en Nieuwe landgoederen vervallen. Daarvoor in de plaats is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving geïntroduceerd als nieuw kwaliteitsinstrument. De kern van KGO is dat nieuwe ontwikkelingen (voor zover niet strijdig zijn met het generieke ruimtelijke beleid voor Overijssel) worden toegestaan als de geboden ontwikkelruimte in balans is met de investering in ruimtelijke kwaliteit. Het financiële voordeel dat een ontwikkelaar heeft bij de opwaardering van zijn grond als gevolg van de bestemmingswijziging, moet worden ingezet voor investeringen in ruimtelijke kwaliteit.


Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt naast de basisinspanning ook een extra inspanning geleverd. Een toelichting op de KGO inspanningen is opgenomen in Bijlage 5.

Conclusie

Voor de KGO inspanningen is in principe akkoord gegeven en daarmee wordt voldaan aan het beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Steenwijkerland

Op 20 juni 2017 heeft de raad de Omgevingsvisie Steenwijkerland vastgesteld. De gemeente wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Omgevingskwaliteit is gedefinieerd als de integrale kwaliteit van ruimtes; het gaat er niet alleen om hoe deze ruimtes eruitzien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving. De schoonheid van de natuur en de bevaarbaarheid van het water in de Weerribben, het stationsplein van Steenwijk met de verbinding naar werk en voorzieningen, de culturele waarde van Giethoorn en de beleving ervan door grote aantallen buitenlandse toeristen. De visie draagt bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Deze kwaliteit is niet te meten. Alleen elementen ervan zijn meetbaar (zoals geluidswaarden) of aanwijsbaar (cultureel erfgoed). Een deel van de omgevingskwaliteit kun je slechts ervaren (sfeer, veiligheid). Het is de som der delen die de uiteindelijke kwaliteit bepaalt. Deze nieuwe definitie is betekenisvol: omgevingskwaliteit is het centrale doel van al het ruimtelijk handelen.

 

De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van een kippenschuur en de nieuwbouw van een woning met bijgebouw. Dit omdat de bedrijfsfunctie niet meer op het perceel wordt uitgeoefend en vanuit planologisch oogpunt een woonfunctie als geschikt kan worden aangemerkt. Daarom is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Hiermee wordt een nieuwe invulling gegeven aan een locatie die geen dienst meer doet als bedrijf en wordt leegstand en verpaupering voorkomen. Landschappelijk gezien is deze ontwikkeling ook passend, dit is gewaarborgd middels het erfinrichtingsplan en de KGO maatregelen die zijn opgenomen in (Bijlage 3 en Bijlage 5).

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen het beleid van de omgevingsvisie Steenwijkerland

3.3.2 Strategische Toekomstvisie Steenwijkerland 2030

De gemeente Steenwijkerland heeft de Strategische Toekomstvisie Steenwijkerland 2030 (2009) ontwikkeld. Deze visie bevat een integrale visie op de ontwikkeling van de gehele gemeente tot 2030. De visie gaat uit van het koesteren en versterken van bestaande kwaliteiten. Daarbij gaat het om de kwaliteiten van de landschappen, de stad en de overige kernen en de potenties van het gebied.

In de visie wordt gesteld dat Steenwijkerland een streekfunctie voor wonen, werken en voorzieningen heeft. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij deze functie. Verder heeft deze toekomstvisie geen specifieke eisen voor het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling doe dan ook geen afbreuk aan de eisen uit de toekomstvisie. Het voornemen betreft de sloop van een kippenschuur en de nieuwbouw van een woning. Hiervoor is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Er is daarnaast sprake van een bestaand bebouwd erf en de landschappelijke inpassing (zie Bijlage 3 en Bijlage 5) is gebiedseigen.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen het beleid van de Strategische Toekomstvisie Steenwijkerland.

3.3.3 Woonvisie Steenwijkerland 2017-2021

De Woonvisie Steenwijkerland 2017-2021 ‘Goed wonen komt met elkaar voor elkaar’, verwoordt wat de gemeente voor ogen heeft bij het wonen in Steenwijkerland, wat ze daaraan zelf bijdraagt en wat van derden wordt gevraagd. In de Woonvisie Steenwijkerland 2017-2021 is beschreven dat de gemeente nieuwe woningbouw niet aanmoedigt. De gemeente wil namelijk focussen op nieuwe initiatieven op het gebied van wonen en transformatie en het beter faciliteren hiervan.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van een kippenschuur en de nieuwbouw van een woning met bijgebouw. Hiervoor is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Dit omdat de bedrijfsfunctie niet meer op het perceel wordt uitgeoefend en vanuit planologisch oogpunt een woonfunctie als geschikt kan worden aangemerkt.Hiermee wordt een nieuwe invulling gegeven aan een locatie dat geen dienst meer doet als bedrijf en wordt leegstand en verpaupering voorkomen. Dit sluit aan op de ambitie van de gemeente om zich meer te focussen op transformatie. Landschappelijk gezien is deze ontwikkeling ook passend, dit is gewaarborgd middels het inrichtingsplan dat is opgenomen in Bijlage 3. Het plangebied betreft verder een individuele locatie, waar geen specifieke uitspraak over wordt gedaan in de visie. Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat onderhavig initiatief in lijn is met de Woonvisie Steenwijkerland.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen het beleid van de Woonvisie Steenwijkerland 2017-2021.

3.3.4 Welstandsnota

De gemeente Steenwijkerland wil zorgvuldig omgaan met de bebouwing in de gemeente. Zij wil ook haar inwoners inspireren en stimuleren zorgvuldig om te gaan met verbouwingen aan hun gebouwde eigendommen. De welstandsnota biedt de inwoner en de aanvrager van een bouwaanvraag inzicht en verheldering over de beoordeling van (zijn of haar) bouwplannen.


In de welstandsnota wordt beschreven hoe de gemeente om wil gaan met de gebouwde omgeving en op welke aspecten en criteria de welstandscommissie zich daarbij baseert. Als laatste, maar zeker niet als minste, biedt deze welstandsnota voor de welstandscommissie een beoordelingskader.

Welstandsbeleid

Het welstandsbeleid is uitgewerkt in de gebiedsgerichte welstandscriteria. Naast de gebiedsgericht criteria kunnen ook meer objectgerichte criteria of specifieke criteria gelden. Daarnaast is er één algemeen criterium dat geldt in alle gebieden: Bij nieuwbouw, wijziging en uitbreidingen dient de architectonische kwaliteit minimaal gelijkwaardig te zijn aan de bestaande architectonische kwaliteit. Zonder dat bij elk gebied naar deze criteria wordt verwezen gelden in alle gebieden de volgende criteria:

  • Voor monumenten: De criteria voor monumenten.
  • Voor reclameobjecten: Het reclamebeleid.
  • Voor licht vergunningplichtige bouwwerken: De sneltoetscriteria. In de beschermde stads- en dorpsgezichten gelden behalve de sneltoetscriteria altijd ook de gebiedsgerichte criteria.
  • Voor recreatieterreinen: Bij recreatieterreinen dienen bij bouwplannen voor verbouwing, uitbreiding en nieuwbouw de bebouwingskarakteristieken van de bestaande bebouwing te worden gerespecteerd. Bij algehele vervangende nieuwbouw dienen de bebouwingskarakteristieken van het gebied waarin het recreatieterrein is gelegen te worden gerespecteerd.
  • Voor de bijzondere elementen: bij uitbreidingen en verbouwingen dienen de bebouwingskarakteristieken te worden behouden en waar mogelijk versterkt


De gemeente is in gebieden ingedeeld en per gebied gelden gebiedsgerichte criteria. De voorgenomen ontwikkeling valt in het deelgebied 'Stuwwallandschap tussen Steenwijk en Johannes Postkazerne '. Hierbinnen is het plangebied weer ingedeeld in het 'Kampenlandschap'.

Met name de bebouwing in het oorspronkelijke lint is in dit gebied markant. Deze bebouwing is divers en vooral door zijn situering aan het lint karakteristiek. De karakteristieken van de oorspronkelijke boerderijen zijn in bredere zin dan alleen dit gebied markant en daarom het behouden waard.

Het welstandsbeleid is gericht op de volgende beleidskenmerken:

  • Bij verbouwingen en uitbreidingen aan de oorspronkelijke boerderijen dienen de bebouwingskarakteristieken zoals die in de gebiedsbeschrijving zijn omschreven te worden behouden.
  • Bij nieuwbouw, vervanging en grote uitbreidingen aan andere bestaande gebouwen dienen de bebouwingskarakteristieken te worden gerespecteerd waarbij de situering dient te worden behouden conform de gebiedsbeschrijving.
  • Uitbreiding van de woonfunctie in een bestaande of voormalige boerderij mag niet ten koste gaan van de uiterlijke verschijningsvorm.

De bebouwingskarakteristieken van de omgeving zullen zoveel mogelijk terugkomen in de nieuw te bouwen woning. Verder is de bestaande schuur niet karakteristiek of architectonisch waardevol. Het vormt eerder een vreemd element in de omgeving. De sloop van de bestaande bebouwing vormt daarmee geen probleem wat betreft welstand.

Conclusie

Het concrete bouwplan is aan de welstandcommissie voorgelegd en akkoord bevonden. De welstandcommissie heeft beoordeeld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Hoofdstuk 4 Cultuurhistorie, archeologie en landschap

4.1 Cultuurhistorie en archeologie

De Erfgoedwet is per 1 juli 2017 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Overijssel sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.

Cultuurhistorie

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.


Het plangebied kent volgens de 'Beheersverordening Buitengebied' niet de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' en kent verder ook geen specifieke cultuurhistorische waarden. Wel kunnen de structuren en kenmerken in de omgeving als van cultuurhistorische betekenis worden aangemerkt. Omdat dit plan perceelsgebonden is, wordt geen afbreuk gedaan aan de structuren in de omgeving. De ontwikkeling past binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur qua functie en volume. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

Archeologie

Het plangebied kent volgens de 'Beheersverordening Buitengebied' de bestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Hier geldt dat archeologisch onderzoek nodig is als bouwwerken groter zijn dan 2.500 m² wanneer deze zich buiten de bebouwde kom bevinden. De nieuw te bouwen woning met bijgebouw is vele malen kleiner dan 2.500 m². Archeologisch onderzoek is dan ook niet nodig.

Conclusie

Het aspect 'Cultuurhistorie en archeologie' levert geen belemmeringen op voor het plan.

4.2 Landschap

In 2005 is door de gemeente Steenwijkerland het "Landschapsontwikkelingsplan Steenwijkerland" vastgesteld. Dit plan is gebaseerd op het, op het moment van vaststelling, geldende beleid. Dit Landschapsontwikkelingsplan (LOP) is de eerste voor de nieuwe gemeente Steenwijkerland (na de samenvoeging van de gemeentes Steenwijk, Brederwiede en IJsselham). Belangrijk doel van het LOP is het behouden en daar waar mogelijk versterken van de kwaliteit van het landschap.

Het doel van het Landschapsontwikkelingsplan is:

  • Een bijdrage leveren aan de dynamiek en daarmee aan de kwaliteit van het landschap;
  • Lokale en regionale initiatieven zodanig stimuleren dat identiteit en verscheidenheid van het landschap wordt versterkt;
  • De zorg voor de ontwikkeling van het landschap dichter bij de burger en het lokale bestuur brengen;
  • Daadwerkelijk de uitvoering van landschapskwaliteit in gang zetten;
  • Zorgen voor een helder kader op lokaal niveau voor de beoordeling van ingrepen uit oogpunt van landschapskwaliteit.

De locatie ten zuiden van het plangebied is aangemerkt als 'Agrarisch met waarden' wat betekent dat zich binnen dit gebied bijzondere landschapselementen kunnen bevinden. Voor diverse werken en werkzaamheden die binnen deze bestemming plaatsvinden is een omgevingsvergunning vereist. Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt een omgevingsvergunning aangevraagd. Hoewel de werkzaamheden niet in dit gebied plaatsvinden en niet te verwachten is dat de voorgenomen ontwikkeling afbreuk doet aan de bijzondere landschapselementen.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van een kippenschuur en de nieuwbouw van een woning met bijgebouw. De bestemming 'Bedrijf wordt gewijzigd naar een woonbestemming, hiervoor is voorliggen bestemmingsplan opgesteld. Dit omdat de bedrijfsfunctie niet meer op het perceel wordt uitgeoefend en vanuit planologisch oogpunt een woonfunctie als geschikt kan worden aangemerkt. Daarnaast wordt het plangebied landschappelijk ingepast wat is vastgelegd middels het inrichtingsplan dat is opgenomen in Bijlage 3.

Verder is het noemenswaardig dat er in het kader van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) verschillende maatregelen worden getroffen die ten goede komen aan de bijzondere landschapselementen in het gebied (zie paragraaf 3.2.3 en Bijlage 5).

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van het Landschapsontwikkelingsplan.

Hoofdstuk 5 Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante negatieve gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.

Soortenbescherming

Voor de voorgenomen ontwikkeling is een Quickscan opgesteld. Deze Quickscan is opgenomen in Bijlage 6. De conclusie en het advies uit het onderzoek is als volgt:

  • Overtreding van de Wet natuurbescherming kan redelijkerwijs worden uitgesloten;
  • De werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd conform projectplanning;
  • Wel moet er rekening gehouden worden met de aanwezigheid van nesten van algemene broedvogels tijdens het broedseizoen. Actieve nesten van vogels zijn altijd beschermd door de Wet natuurbescherming. Verstorende werkzaamheden, waaronder slopen en het kappen van bomen, moeten worden uitgevoerd buiten de piek van het broedseizoen. De piek van het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 augustus.

Gebiedsbescherming

Voor de voorgenomen ontwikkeling is een AERIUS-berekening gedaan. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 1.

  • Uit de AERIUS-berekening komt naar voren dat er sprake zal zijn van een verwaarloosbare depositie van stikstof op omliggende Natura 2000-gebieden.
  • Uitgaande van de AERIUS-berekening zijn negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden, als gevolg van extra stikstof depositie, niet te verwachten.

Conclusie

Het aspect 'ecologie' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 6 Water

Het is verplicht om in de toelichting bij een ruimtelijk plan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Nationaal beleid

Het Nationaal Waterplan (V&W, 2009) heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het plan vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Omdat ook voor de volgende generaties Nederland als veilig en welvarend waterland veilig gesteld moet worden, moet nu een antwoord worden gevonden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie, economie en een duurzaam waterbeheer.

Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkómen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Water levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en behoud van biodiversiteit. Het doel is helder: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst.

Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het dan ook van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Meer dan voorheen moet water bepalend zijn bij de besluitvorming. De mate waarin water bepalend is, hangt af van de wateropgave in relatie tot andere opgaven, aanwezige functies en bodemgesteldheid, en andere kenmerken in dat gebied.

Overstromingsrisico

Het voorkomen van overstromingen door fysieke maatregelen is en blijft de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Fysieke maatregelen zijn rivierverruiming, dijkversterking en het concept van overstroombare dijken. Door klimaatverandering zoals zeespiegelstijging en toenemende rivierafvoeren moeten we meer rekening houden met de gevolgen van een overstroming. De afweging is waar men op inzet: het voorkomen van slachtoffers (rampenbeheersing) of ook het voorkomen van economische schade (gevolgenbeperking). Het plangebied bevindt zich niet in overstroombaar gebied.

Provinciaal beleid

Veilig, schoon en gezond water is een basisvoorwaarde voor het leven van mens, plant en dier. Klimaatverandering noodzaakt tot het nemen van maatregelen en het voorbereiden op mogelijke langetermijneffecten. De te nemen maatregelen kunnen tegelijkertijd benut worden om de zichtbaarheid en beleefbaarheid van het watersysteem te vergroten. Ingevolge de omgevingsvisie Overijssel heeft de provincie een voorkeur voor grondwater als primaire bron voor de drinkwatervoorziening. De kwaliteit en beschikbare hoeveelheid van grondwater is stabiel. Oevergrondwater is een tweede bron. Dit ziet de provincie als alternatief voor grondwater. Er is ervaring met het beheersen van risico's bij oevergrondwater langs de IJssel. Ook langs de Vecht is een oevergrondwaterwinning in ontwikkeling. De ervaringen daarmee kunnen laten zien in hoeverre oevergrondwater ook bij een kleine rivier perspectief biedt. Op de provinciale kaarten 'Waterfunctie' en 'Drinkwaterwinningen', zijn behalve het grondwaterbeschermingsgebied ook de innamezones aangegeven waar water infiltreert uit oppervlaktewater. Op deze wijze wordt aan de waterbeheerder het signaal afgegeven dat dit oppervlaktewater tevens bron is voor drinkwater.

In de Drinkwaterwet is vastgelegd dat de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening een dwingende reden van groot openbaar belang is. De gebieden waar (oever)grondwater voor drinkwater aan de bodem wordt onttrokken of die daarvoor gereserveerd zijn, worden afdoende beschermd door voortzetting van het geldende beleid. De provincie beoogt de kwaliteit van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening en de industriële winningen waarvoor een hoge kwaliteit is vereist te beschermen en te voorkomen dat deze kwaliteit verslechtert (stand-still). De provinciale uitgangspunten zijn:

  • Het gehele intrekgebied van de drinkwaterwinning wordt beschermd;
  • Geen functies met risico op grondwaterverontreiniging, tenzij de beschermingssituatie verbetert (stapvooruitprincipe). Bij grote en grootschalige ruimtelijke ingrepen is een verslechtering op plaatselijk niveau toegestaan, mits op gebiedsniveau verbetering plaatsvindt (saldobenadering);
  • Preventie via de verbodsbepalingen in de verordening is de meest doelmatige bescherming tegen ruimtelijke functies die risico hebben voor grondwaterverontreiniging. Het gaat dan om een brongerichte aanpak van bedreigende activiteiten/functies;
  • Duurzaam veiligstellen: de bescherming van de openbare drinkwatervoorziening moet opgenomen zijn in gemeentelijk ruimtelijk beleid;
  • Voor kwetsbare winningen zijn in 2010 gebiedsdossiers opgesteld met een analyse van de actuele bedreigingen voor de waterkwaliteit en de mogelijke maatregelen (KRW).

Het provinciale beleid voor grondwaterbescherming is verwoord in de Omgevingsvisie (2017). Dit vigerende beleid wordt voortgezet. De hoofdlijnen van het beschermingsbeleid lopen via drie sporen: het ruimtelijkeordeningsbeleid, het waterbeleid en het milieubeleid. Via de lijn van het waterbeleid wordt de voorraad op peil houden, de gevolgen verminderd en waar mogelijk de duurzaamheid verbeterd. Via de ro- en milieulijn wordt de kwaliteit van de grondstof voor de openbare drinkwatervoorziening en de levensmiddelenindustrie beschermd en verbeterd.

Gemeentelijk beleid

Per 1 januari 2016 is het Watertakenplan Fluvius van kracht geworden voor de gemeenten Hoogeveen, Meppel, De Wolden, Midden-Drenthe, Westerveld en Steenwijkerland en Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta). Gezamenlijk vormen ze het samenwerkingsverband Fluvius (Latijn voor rivier of stroom). In Fluvius werken de gemeenten en het waterschap samen aan stedelijk (afval)waterbeheer. Het Watertakenplan bevat een gezamenlijke visie en een uitvoeringsprogramma. Doel is om de kwaliteit van de dienstverlening te verhogen en kostenstijgingen voor inwoners en bedrijven te beperken. Het Watertakenplan geldt voor de periode 2016-2021.

Een goed functionerende keten van riolering en afvalwaterzuivering (afvalwaterketen) draagt bij aan een goede volksgezondheid, een goede kwaliteit van het oppervlaktewater én het tegengaan van wateroverlast. Binnen de regio Fluvius beheren de gemeenten de riolering en het waterschap zeven afvalwaterzuiveringen. Een goed watersysteem beperkt wateroverlast en draagt bij aan een goed leefklimaat. Daar is goed onderhoud voor nodig. Zowel gemeente als waterschap hebben hierin een taak, zoals het maaien van oevers en baggeren van watergangen. Zowel voor een goed beheer van de afvalwaterketen als voor het watersysteem is samenwerking tussen gemeente en waterschap dus van groot belang.

Voorheen werden door de gemeenten en het waterschap afzonderlijk beleidsplannen gemaakt. Het nieuwe Watertakenplan Fluvius is het eerste gezamenlijk plan waarin het beleid en een aantal projecten voor het stedelijk (afval)waterbeheer op elkaar zijn afgestemd. Samenwerkingsprojecten in het plan zijn bijvoorbeeld gezamenlijk gemalenbeheer en het meten van waterstanden in de riolering. Door gebruik te maken van elkaars kennis en gezamenlijk projecten uit te voeren, wordt doelmatiger en efficiënter gewerkt.

Conclusie nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid

Het nu voorliggende plan betreft een voornemen waarbij zorgvuldig gekeken is naar de wijze waarop de effecten op de waterhuishouding beperkt en waar de situatie waar mogelijk verbeterd kunnen worden. Het waterschap is middels de Watertoets geinformeerd over de voorgenomen plannen. Vooralsnog lijkt het er op dat wat betreft onderhavig bouwplan geen extra maatregelen nodig zijn. Resumerende kan worden gesteld dat het initiatief niet negatief van invloed is op de kwaliteit van het water en dat er bovendien geen bezwaren bestaan het bouwplan uit te voeren in relatie tot een mogelijke calamiteit in de vorm van een wateroverstroming. Ten aanzien van concrete actiepunten wordt verwezen naar de volgende paragraaf, 'watertoets'.

Watertoets

Via www.dewatertoets.nl is het Waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan 'Bestemmingsplan Marijenkampen, nabij Ongeleg 5'. De watertoets is opgenomen in Bijlage 8 beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure moet worden doorlopen.

Invloed op de waterhuishouding

Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het plan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.


Voorkeursbeleid hemelwater

Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. In dit geval wordt schoon hemelwater geïnfiltreerd in de bodem.

Watervergunning (of melding) op grond van de Keur

Het wateradvies dat is afgegeven in het kader van de watertoets is geen watervergunning of melding. Op basis van de ingevulde gegevens is een watervergunning niet nodig.


Watertoetsproces

Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding in ruimtelijke zin.


Deze conclusie is automatisch getrokken op basis van de ingevoerde gegevens op www.dewatertoets.nl. Het proces van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Drents Overijsselse Delta gaat akkoord met het plan.

Conclusie

Het aspect 'water' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 7 Verkeer

7.1 Ontsluiting

Bij de voorgenomen ontwikkeling op het perceel Ongeleg (geen huisnummer) naast nummer 5 wordt geen gebruik gemaakt van de twee bestaande inritten. De twee bestaande inritten zullen worden verwijderd. Er wordt een nieuwe inrit aangelegd tussen de twee bestaande inritten in. Op de inrichtingstekening die is opgenomen in Bijlage 3 is te zien waar de inrit gesitueerd is. De verdere ontsluiting van het perceel vindt plaats via de Ongeleg.

7.2 Parkeren

De gemeente Steenwijkerland heeft zijn eigen parkeerbeleid vastgelegd in het document 'Nota Parkeernormen 2015'. Voor een woning geldt een parkeernorm van 1,6 per woning. Parkeren vindt uitsluitend plaats op eigen terrein. Op het terrein zullen minimaal twee parkeerplaatsen worden aangelegd waarmee voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd voor de bewoners en bezoekers. Hiervoor is ook voldoende ruimte op het perceel beschikbaar.

Hoofdstuk 8 Omgevingsaspecten

8.1 Asbest

Op 14 november 2019 is een asbestinventarisatie, conform de eisen zoals vermeld in het Procescertificaat Asbestinventarisatie, uitgevoerd op de locatie naast Ongeleg 5 te Marijenkampen. De inventarisatie is uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen sloop en het rapport is opgenomen in Bijlage 2. De volgende conclusies en aanbevelingen zijn van toepassing voor onderhavig onderzoek:

  • Tijdens de inventarisatie zijn asbesthoudende materialen aangetroffen met een laag potentieel blootstellingsrisico. Een risicobeoordeling conform de NEN 2991 is niet noodzakelijk.
  • Voorafgaand aan toekomstige bouw-/sloop-/renovatiewerkzaamheden dienen de aangetroffen asbesthoudende toepassing(en) verwijderd te worden door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf.
  • Aanbevolen wordt om een beheersplan op te stellen voor het aangetroffen asbest.
  • Aanbevolen wordt om de asbesthoudende materialen te markeren.
  • In het huidige gebruik van de locatie is verwijdering of afscherming van de asbesthoudende toepassingen niet direct noodzakelijk.

Conclusie

Bij de sloop dienen de gebouwen die gesloopt worden ontdaan te worden van asbest door een deskundig asbestverwijderingsbedrijf dat in het bezit is van het procescertificaat "asbestverwijdering". Verder levert het aspect asbest geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

8.2 Bedrijven en milieuzonering

Uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening moet bij nieuwe ontwikkelingen worden nagegaan welke bronnen in of nabij het plangebied een belemmering kunnen vormen voor gevoelige functies als wonen. Daarnaast dient te worden bezien of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (de 'omgekeerde werking').

Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid aansluiting te zoeken bij de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom kan deze publicatie worden gebruikt voor het op verantwoorde wijze inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving.

Van plangebied naar omgeving

Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van een kippenschuur en de nieuwbouw van een woning met bijgebouw. De bestemming 'Bedrijf wordt gewijzigd naar een woonbestemming, hiervoor is voorliggen bestemmingsplan opgesteld. Een woning is geen milieubelastende activiteit die mogelijk wordt gemaakt en de ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve invloed op omliggende milieugevoelige functies.

Van omgeving naar plangebied

Een woning is een milieugevoelig object. De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van een kippenschuur en de nieuwbouw van een woning met bijgebouw. De bestemming 'Bedrijf wordt gewijzigd naar een woonbestemming, hiervoor is voorliggen bestemmingsplan opgesteld. In de toekomstige situatie vinden er geen bedrijfsactiviteiten meer plaats op het perceel en betreft de nieuwe woning dan ook een zelfstandige woning. In de omgeving van het plangebied is één bedrijf aanwezig. Dit betreft een agrarisch bedrijf. Andere bedrijven liggen op een dusdanige afstand dat deze geen geen negatieve invloed hebben op de woonfunctie in het plangebied. Immers zijn er in de omgeving van het plangebied meerdere percelen met een woonbestemming. Vele percelen liggen op een kortere afstand van omliggende bedrijven dan het perceel naar Ongeleg 5. Het wijziging van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming in het plangebied vormt geen belemmering voor de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijven.

Ongeleg 8

Het perceel Ongeleg 8 kent de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1'. Volgens de VNG bedrijvenlijst kennen deze bedrijven een richtafstand van minimaal 100 meter. De afstand tussen de nieuwe woning en de agrarische bedrijven is meer dan 100 meter en er wordt dus voldaan aan de richtafstand. In paragraaf 8.5 wordt dieper ingegaan op deze situatie wat betreft het aspect geur. Aangetoond wordt dat kan worden voldaan aan een goed woon- en leefklimaat en dat de veehouderij niet in zijn belang wordt geschaad door de voorgenomen ontwikkeling

Conclusie

Hierdoor is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

8.3 Bodem

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.


Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie(s).

In het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit rapport is in Bijlage 7 opgenomen.

Bodemopbouw en zintuiglijke/visuele waarnemingen De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat in de bovenste 0,5 tot 1 meter uit siltig/lemig zand of zandig leem. Vanaf 0,5 of 1,0 m -mv tot de maximaal geboorde diepte van 5,5 m -mv bestaat de bodem uit zwak zandige leem. Zintuiglijk zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen bijzonderheden waargenomen die duiden op de aanwezigheid van een (ernstige) bodemverontreiniging. Bij de maaiveldinspectie ten behoeve van het verkennend asbestonderzoek in bodem zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Ter plaatse van de gegraven inspectiegaten en in de opgeboorde grond zijn visueel eveneens geen asbestverdachte materialen waargenomen.


Na toetsing van de analyseresultaten blijkt dat:

  • In het mengmonster van de bovengrond van de westelijke terreinhelft (MMbg01; boring 1, 6, 7, 8, 9 en 10; 0,0–0,5 m –mv) is een licht verhoogd gehalte aan PAK gemeten.
  • In het mengmonster van de bovengrond van de oostelijke terreinhelft (MMbg02; boring 2, 3, 4, 5, 11, 12 en 13; 0,0–0,6 m –mv) is koper in een sterk verhoogd gehalte gemeten. Verder zijn zink en PAK in licht verhoogde gehalten aangetoond.
  • In het mengmonster van de ondergrond (MMog01; 0,5–2,0 m –mv) zijn geen verhoogde gehalte aan onderzochte componenten aangetoond.
  • Uit het aanvullend onderzoek, waarbij de bovengrond ter plaatse van de boringen 2, 3, 4, 5, 11, 12 en 13 (deelmonsters uit mengmonster MMbg02) separaat is geanalyseerd op koper, blijkt dat geen verhoogde gehalten aan koper in de separate deelmonsters zijn gemeten.
  • Het onderzochte mengmonster van de grond uit de inspectiegaten onder het asbesthoudende dak (MM1-druppelzone: 0 – 0,1 m -mv) bevat geen asbest.
  • In het op asbest onderzochte mengmonster uit de inspectiegaten op het erf (MM2-erf: 0 – 0,5 m -mv) is in lichte mate asbest aangetoond (4,2 mg/kg.d.s.).

In de onderzochte grond zijn, na uitvoering van het aanvullend grondonderzoek naar de gehalten aan koper, maximaal licht verhoogde gehalten aan onderzochte componenten aangetoond. De aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond (zware metalen en PAK) zijn niet ongebruikelijk voor oudere erven en worden toegeschreven aan het jarenlange gebruik als van de locatie.

De herkomst van het in eerste instantie gemeten sterk verhoogde gehalte aan koper in de bovengrond is niet bekend.

Bij het aanvullende analytisch onderzoek is koper niet verhoogd aangetoond. Grondwateronderzoek is niet uitgevoerd omdat de grondwaterspiegel lager is gelegen dan 5,5 m -mv.


De licht verhoogde gehalten in de bodem betreffen relatief geringe overschrijdingen van de achtergrondwaarden en streefwaarden.

Bij de gemeten gehalten zijn geen risico’s voor milieu en volksgezondheid aanwezig en hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden.

De onderzoekshypothese ‘onverdacht’ voor het NEN 5740 (chemisch) bodemonderzoek op het erf wordt, gezien de gemeten maximaal licht verhoogde waarden, als juist beschouwd.


Voor wat betreft het onderzoek naar asbest in de bovengrond is er een licht verhoogd gehalte aan asbest in bovengrond op het erf aangetoond. Het gehalte ligt ruim beneden de Interventiewaarde en hergebruiksnorm van 100 mg/kg.d.s. als ook ruim beneden de Tussenwaarde voor nader bodemonderzoek (= 50 mg/kg.d.s.).

Aanvullend/nader onderzoek naar asbest in de bodem wordt derhalve eveneens niet nodig geacht. Uit risicobeoordelingen is gebleken dat bij gehalten aan asbest in bodem beneden 100 mg/kg.d.s. het milieuhygiënisch risico nihil is, ook bij bewerking van de grond.


Met de gevolgde onderzoeksstrategie is de milieuhygiënische kwaliteit ter plaatse van de het perceel voldoende vastgelegd. Voor wat betreft de kwaliteit van de bodem hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen beperkingen te worden gesteld aan het gebruik van de onderzochte locatie en is er geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen,

Conclusie

Het aspect 'bodem' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

8.4 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een plan aandacht te worden besteed aan het aspect geluid.


In de Wgh is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. Aangezien het plangebied niet gelegen is binnen de zone van een spoorweg en/of in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein, is alleen aandacht besteed aan het aspect wegverkeerslawaai.


Het plan heeft betrekking op geluidgevoelige objecten langs een weg. Op de Ongeleg geldt een 60km/uur-regime waar formeel de Wet geluidhinder van kracht is.

Echter betreft deze straat is een smalle weg welke slechts dient als ontsluitingsweg van het geringe aantal percelen gelegen aan de Ongeleg. De Ongeleg betreft dus geen doorgaande weg voor doorgaand verkeer en kent dan ook een zeer lage verkeersintensiteit. Geluidshinder ten aanzien van de Ongeleg is niet aan de orde en een akoestisch onderzoek ten aanzien van wegverkeerslawaai in niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect 'geluid' geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

8.5 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) heeft als doel om geurhinder van veehouderijen bij geurgevoelige objecten (zoals woningen) te voorkomen. Voor de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten nabij veehouderijen moet aan twee voorwaarden worden voldaan;

  • een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd voor de nieuwe geurgevoelige objecten
  • geen van de bestaande veehouderijen onevenredig in zijn belangen geschaad.

Op het perceel Ongeleg 8 is het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf gevestigd. Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij is er een geurcontour van 100 meter. De beoogde ontwikkeling is buiten de geurcontour van dit bedrijf gelegen. De afstand tussen het bedrijf en het plangebied bedraagt namelijk circa 150 meter. Daarnaast is het zo dat de gemeente Steenwijkerland een geurverordening heeft waarbij de beoogde locatie is gelegen in het gebied type 2 waardoor de geurafstand 50 meter is, tenzij het een bestaande situatie betreft dan is het 25 meter. Hierbij word gemeten vanaf het emissiepunt. Aan deze afstanden wordt dus zeker ook voldaan. Overige veehouderijden in de nabijheid van het plangebied liggen op een verdere afstand van het plangebied dan het perceel Ongeleg 8. Daarmee kan worden gesteld dat wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat en dat geen van de veehouderijen in hun belangen worden geschaad door de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie

Het aspect 'geur' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

8.6 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Op grond van de wet mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de normen (grenswaarden) die aan een aantal verontreinigende stoffen zijn gesteld.

Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening gehouden worden met het gestelde in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen.

Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een ruimtelijk plan worden vastgesteld, indien:

  • a. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het ruimtelijk plan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde die behoort bij de Wet Milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, of
  • b. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het ruimtelijk plan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of
  • c. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het ruimtelijk plan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen, of
  • d. het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Van een verslechtering van de luchtkwaliteit in betekenende mate als bedoeld onder c is sprake indien zich een van de volgende ontwikkelingen voordoet:

  • woningbouw: minimaal 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of minimaal 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen;
  • infrastructuur: 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie);
  • kantoorlocaties: minimaal 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, minimaal 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen.

Het ruimtelijk plan bevat niet een van deze ontwikkelingen; de voorgenomen ontwikkeling een ontwikkeling die van geringere omvang is dan de ontwikkelingen die hiervoor zijn aangegeven en het is ook geen project dat beschreven staat in het NSL. Ondanks dat het project niet is opgenomen in de lijst onder c moet alsnog worden aangetoond dat er sprake is van NIBM. In de huidige situatie is er al sprake van een kippenschuur en in de nieuwe situatie alleen een woning met bijgebouw. Daardoor wordt de luchtkwaliteit niet verslechterd maar blijft gelijk of wordt zelfs verbeterd ten gevolge van de ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat door de ontwikkeling, die in het onderhavige plan mogelijk wordt gemaakt, de luchtkwaliteit niet "in betekenende mate" zal verslechteren. Aan het bepaalde omtrent luchtkwaliteit wordt dan ook voldaan. Op basis van de rekentool NIBM kan dezelfde conclusie getrokken worden:

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0012.jpg"

Afbeelding: NIBM-tool (bron: Infomil)

Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

8.7 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid ('Indeling Leidraad maatramp') zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang. Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking tot:

  • inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient te worden onderzocht:

  • Of voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico.
  • Of (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico.

De voorgenomen ontwikkeling betreft zelf geen risicovolle inrichting. Verder zijn er in en in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gesitueerd. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats door buisleidingen of over weg, water of spoor in en in de nabijheid van het plangebied. Dit is ook te zien op de volgende afbeelding waar een uitsnede van de risicokaart is opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MRKOngelegBP-VG01_0013.png"

Afbeelding: Uitsnede risicokaart (bron foto: risicokaart.nl)

Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

8.8 Duurzaamheid en energie

In 2012 heeft de gemeente Steenwijkerland de Notitie Nieuwe Energie vastgesteld. De Notitie Nieuwe Energie beschrijft een strategische routekaart met verschillende deelpakketten hoe de Raad van Steenwijkerland haar ambitie rond energiebesparing en duurzame energie gaat invullen. De gemeente Steenwijkerland heeft als ambitie dat in 2020 al het huishoudelijke energiegebruik wordt opgewekt met energie uit (duurzame) energiebronnen binnen de eigen gemeentegrenzen en in regionaal verband.

In het ontwerp wordt aandacht besteed aan het aspect duurzaamheid. Zo zal de woning gasloos worden gebouwd. Daarnaast zal gebruik gemaakt worden van moderne isolerende materialen om zoveel mogelijk energie te besparen.

8.9 Kabels, leidingen, straalpaden en andere belemmeringen

Door het plangebied lopen boven- of ondergronds geen hoofdleidingen. Straalpaden en laagvliegroutes voor straaljagers zijn ook niet aanwezig.

Hoofdstuk 9 Economische uitvoerbaarheid

Het plan is een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro. De raad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien er geen verhaalbare kosten zijn, deze minder dan € 10.000,- bedragen of uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen (artikel 6.2.1.a Bro). In deze situatie is sprake van een geval als bedoeld in artikel 6.2.1a Bro, zodat geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld.

Het planvoornemen betreft een particulier initiatief. De met de daadwerkelijke realisering gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de initiatiefnemer. Eventuele bijkomende kosten komen eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. Er is een planschade overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Eventuele planschade wordt hiermee afgewenteld op de initiatiefnemer.

Ook overigens zijn er geen redenen om aan te nemen dat dit plan economisch niet uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 10 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De 'Bestemmingsplan Marijenkampen, nabij Ongeleg 5' is conform artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening voorbereid met de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat er gelegenheid is gegeven voor het indienen van zienswijzen. Verder zijn de naaste buren op de hoogte gebracht over de plannen en hebben zij schriftelijk bevestigd dat ze over de plannen zijn ingelicht. Deze bevestiging is opgenomen in Bijlage 4. Tot slot heeft de provincie Overijssel aangegeven dat het ontwerpplan past binnen hun ruimtelijk beleid.

30 juni 2020.